FAQ
Wat is het belang van een goede motoriek?
Bekijk ook het filmpje: Belang van bewegen.
Waarom screenen in groep 3?
voorkomen dat het zelfbeeld hieronder gaat lijden en ze het plezier in bewegen verliezen. De afspraak in Amsterdam is dat alle leerlingen in groep 3 gescreend worden door de vakleerkracht. Dat gebeurde vroeger door de jeugdarts/jeugdverpleegkundige, maar omdat de vakleerkracht alle leerlingen twee keer per week ziet bewegen is dat veranderd. De screening is in groep 3 (en op indicatie van opvallende kinderen in groep 4 en 5). De screening vindt plaats in groep 3 en niet in groep 1 en 2, omdat jonge kinderen zich nog sprongsgewijs ontwikkelen en de betrouwbaarheid van de screening daardoor beïnvloed wordt. Het screenen van kinderen in groep 6 t/m 8 met de 4-Vaardighedentest is niet valide, er is een plafondeffect, waardoor de scores geen goede weergave van de motoriek van deze kinderen zijn. Er is moet uiteraard wel gerichte aandacht zijn voor veel en gevarieerd bewegen voor de groepen 1 en 2, als ook in de hogere groepen.
Welke professionals zijn er betrokken bij de OBM in Amsterdam?
Rollen:
Vakleerkracht bewegingsonderwijs: signaleert met de 4-vaardighedentest motorische achterstanden, legt de uitkomst naast eigen bevindingen/indruk van het kind in de gymles en bespreekt dit met de intern begeleider en groepsleerkracht van groep 3. We raden aan om de groepsleerkrachten van groepen 1 en 2 te raadplegen, aangezien zij de ontwikkeling van het kind in de kleuterperiode goed voor ogen hebben. Stelt samen met de ib-er een plan van aanpak op. Bespreekt dit met ouders en houdt vervolgens vinger aan de pols in de trajecten voor ‘oranje’ en ‘rode’ score. In sommige
gevallen geeft de vakleerkracht zelf het extra beweegaanbod (bijv. in de vorm van MRT) voor kinderen met een oranje en rode score.
De intern begeleider: heeft regelmatig contact met de vakleerkracht om de uitkomsten van de 4- vaardighedentest te bespreken en plannen van aanpak per kind met een motorische achterstand te maken. Is vaak degene met de meeste oudercontacten. Heeft de regie in de zorgtrajecten. Weet naar welke instanties door te verwijzen (jeugdarts, kinderfysio-oefentherapeuten). Heeft contact met deze zorgprofessionals.
De groepsleerkracht groep 3, eventueel ook groepsleerkrachten groepen 1 en 2: worden betrokken door de vakleerkracht en de ib-er om het beeld van kinderen met een motorische achterstand compleet te maken. Hoe gaat het met het kind in de klas, op het schoolplein, heeft het kind last van de motorische achterstand? De groepsleerkracht heeft doorgaans ook goed contact met ouders en kan een rol spelen in het bespreken van het belang van meer bewegen in de thuissituatie. De groepsleerkracht kan ook in de reguliere lessen aandacht besteden aan bewegen in de vorm van beweegtussendoortjes voor en met de hele klas.
De jeugdarts: als ouders toestemming hebben gegeven vindt er een consult bij de jeugdarts plaats voor de kinderen met een ‘rode’ score. De jeugdarts beoordeelt of er mogelijk een onderliggende oorzaak voor de motorische achterstand is en of, naast verwijzing naar en kinderfysio-oefentherapeut, verwijzing naar een kinderarts of revalidatiearts nodig is. De jeugdarts heeft goed zicht op de ontwikkeling van het kind vanaf de geboorte, op de gezinssituatie en op risicofactoren voor een onderliggende aandoening.
De kinderfysio-/oefen-/ergotherapeut: behandelt het kind 1 op 1 in een zorgtraject. Om een diagnose te stellen, voert de therapeut eerst het Movement ABC uit; een uitgebreidere test dan de 4-vaardighedentest. Vervolgens wordt een plan voor behandeling opgesteld. De kinderfysio-oefentherapeut heeft ook contact met de ouders. Idealiter heeft de therapeut ook contact met de vakleerkracht bewegingsonderwijs om af te stemmen wie wat doet en om de voortgang te bespreken.
De professional die het ondersteunde aanbod verzorgt: voor de kinderen met een oranje en/of rode score is extra beweegaanbod nodig om stappen te maken in de motorische ontwikkeling. Het ondersteunende aanbod kan bestaan uit verschillende interventies, waarvan Gym+ en MRT voorbeelden zijn. Belangrijk is dat de lessen wekelijks plaatsvinden, liefst meer keer per week en in kleine aantallen kinderen per groep. Veel succeservaringen in een pedagogisch veilige omgeving zijn belangrijke voorwaarden.
Binnen de OBM in Amsterdam wordt er Gym+ aangeboden en in sommige gevallen Motorische Remedial Teaching (MRT). In dat laatste geval door de vakleerkracht bewegingsonderwijs die daarvoor bevoegd is (certificaat MRT heeft). Gym+ kan ook door de vakleerkracht zelf worden gegeven en dat wordt vergoed door de gemeente Amsterdam. In een aantal gevallen wordt de Gym+-lessen door Teamsportservice Amsterdam (TSA) aangeboden.
De sportmakelaar is in dienst van de gemeente Amsterdam en coördineert het sport- en beweegaanbod in de wijk/stadsdeel. Zij zijn aanspreekpunt voor scholen als het gaat om naschools sport- en beweegaanbod. De sportmakelaar bepaalt op basis van de motoriek data en in overleg met de netwerk coördinatoren van de schoolbesturen welke scholen in aanmerking komen voor een Gym+-traject (of ander ondersteunend
beweegaanbod) in het betreffende stadsdeel.
De directie/schoolleider ziet toe op de rol van de betrokken professionals bij deze planmatige werkwijze en de borging daarvan in de reguliere werkprocessen. Want ook al is het onderdeel van de reguliere taken van de groepsleerkracht, intern begeleider en vakleerkracht bewegingsonderwijs in het kader van Passend Onderwijs, toch wordt nog
niet op iedere school hieraan voldaan.
De scholen krijgen vanuit de VLOA- financiering voor de vakleerkracht bewegingsonderwijs. Deze financiering draagt bij aan de inzet van een bevoegd (vak)leerkracht voor het verzorgen van de wettelijke verplichting van 2 x 45 minuten
bewegingsonderwijs voor groep 1 t/m 8. Een van de eisen van de VLOA is dat de vakleerkracht de screening van motoriek in groep 3 verzorgt en de OBM opstart.
Waarom de jeugdarts betrekken?
Waarom wordt er in Amsterdam gewerkt met de 4-vaardighedentest en niet met een andere motoriektest?
aan inhoud voor interventie. Deze vaardigheden zijn basisvaardigheden. Denk aan ‘locomotor skills’: springen kracht en springen coördinatie, ‘object controle’: stuiteren en ‘body controle’: stilstaan) die beheerst moeten worden, alvorens er meer complexe vaardigheden geoefend kunnen worden. Statische motoriektest versus dynamische motoriektest. De 4-vaardighedentest en de BLOC-test zijn (vergelijkbare) voorbeelden van statische motoriektesten. De MQ-scan is
een dynamische motoriektest. Die laatste geeft een indruk van de motoriek na het doorlopen van een beweegbaan met verschillende opdrachten. Hoe sneller je de baan aflegt, hoe beter je motoriek. Waar het kind uitvalt (welke basisvaardigheid) is minder goed zichtbaar. Statische motoriektesten geven die feedback wel waardoor het
makkelijker wordt te bepalen welke aanpassingen je kunt doen in de gymles.
Het toepassen van de 4-vaardighedentest om de motorische ontwikkeling van leerlingen in kaart te brengen werd eerder nooit gevraagd van de vakleerkracht, waarom nu wel?
Nu lijkt het voor vakleerkrachten dat er iets extra wordt gevraagd, maar het is dus onderdeel van het werk van de vakleerkracht. Dat het veel tijd kost en ten koste gaat van de gymles gaat dus niet op. Er zijn bovendien veel manieren om het jezelf makkelijker te maken. Het lectoraat BioS heeft een document ontwikkeld met verschillende manieren
hoe te screenen met de 4-vaardighedentest. Dit document is op te vragen bij d.k.m.labee@hva.nl. Daarnaast geeft de HvA jaarlijks een opfris workshop in september (dé tijd om de 4-vaardigheden test uit te voeren op school), houd dez website (Agenda) in de gaten.