FAQ

Wat is het belang van een goede motoriek?
Een goede motoriek vormt de basis voor een leven lang bewegen. Kinderen die van jongs af aan voldoende en gevarieerd bewegen, ontwikkelen sterkere motorische vaardigheden, zoals rennen, springen, gooien en balanceren. Wanneer bewegen makkelijker gaat, ervaren kinderen er meer plezier in [1-2]. Dat plezier zorgt ervoor dat zij vaker en langer blijven bewegen. Vaker bewegen heeft niet alleen een positief effect op de lichamelijke gezondheid, maar draagt ook bij aan het welbevinden en het zelfvertrouwen van kinderen [3]. Kinderen die zich zeker voelen in hun bewegingen durven eerder mee te doen, nieuwe activiteiten uit te proberen en actief te zijn in een groep. Bovendien laten onderzoeken zien dat fysiek actieve kinderen een grotere kans hebben om ook als jongvolwassene actief te blijven [2]. De basis voor een gezonde en actieve leefstijl wordt dus al op jonge leeftijd gelegd. Goede motorische vaardigheden zijn daarnaast belangrijk voor het functioneren op school. Onderzoek laat zien dat motoriek samenhangt met cognitieve functies, zoals aandacht, planning en het vermogen om informatie te verwerken [4-6]. Deze cognitieve functies helpen kinderen om taken vol te houden, instructies te volgen en nieuwe informatie te leren. Ook zijn er verbanden gevonden tussen motorische vaardigheden en schoolprestaties, onder andere op het gebied van lezen en rekenen [7-8]. Tot slot speelt motoriek een rol in het sociale functioneren. Kinderen die zich motorisch vaardig voelen, doen vaker mee aan spel en gezamenlijke activiteiten. Dit vergroot de kans op sociale contacten en het opbouwen van vriendschappen [3]. Goede motoriek draagt daarmee niet alleen bij aan bewegen en leren, maar ook aan meedoen en erbij horen.
Bekijk ook het filmpje: Belang van bewegen.
Waarom screenen in groep 3?
Het screenen van de motoriek geeft de vakleerkracht inzicht in de ontwikkeling van breed motorische vaardigheden bij kinderen. De 4-vaardighedentest is een gevalideerd, betrouwbaar en praktisch meetinstrument dat helpt bij de signalering van kinderen met een motorische achterstand [9]. Deze kinderen wil je zo vroeg mogelijk signaleren om te
voorkomen dat het zelfbeeld hieronder gaat lijden en ze het plezier in bewegen verliezen. De afspraak in Amsterdam is dat alle leerlingen in groep 3 gescreend worden door de vakleerkracht. Dat gebeurde vroeger door de jeugdarts/jeugdverpleegkundige, maar omdat de vakleerkracht alle leerlingen twee keer per week ziet bewegen is dat veranderd. De screening is in groep 3 (en op indicatie van opvallende kinderen in groep 4 en 5). De screening vindt plaats in groep 3 en niet in groep 1 en 2, omdat jonge kinderen zich nog sprongsgewijs ontwikkelen en de betrouwbaarheid van de screening daardoor beïnvloed wordt. Het screenen van kinderen in groep 6 t/m 8 met de 4-Vaardighedentest is niet valide, er is een plafondeffect, waardoor de scores geen goede weergave van de motoriek van deze kinderen zijn. Er is moet uiteraard wel gerichte aandacht zijn voor veel en gevarieerd bewegen voor de groepen 1 en 2, als ook in de hogere groepen.
Welke professionals zijn er betrokken bij de OBM in Amsterdam?
De volgende professionals zijn betrokken bij de Ondersteuningsroute Bewegen en Motoriek (OBM): vakleerkracht bewegingsonderwijs, de intern begeleider, groepsleerkracht groep 3, jeugdarts, kinderfysiotherapeut, professional die het extra beweegaanbod verzorgt en de sportmakelaar.

Rollen:
Vakleerkracht bewegingsonderwijs: signaleert met de 4-vaardighedentest motorische achterstanden, legt de uitkomst naast eigen bevindingen/indruk van het kind in de gymles en bespreekt dit met de intern begeleider en groepsleerkracht van groep 3. We raden aan om de groepsleerkrachten van groepen 1 en 2 te raadplegen, aangezien zij de ontwikkeling van het kind in de kleuterperiode goed voor ogen hebben. Stelt samen met de ib-er een plan van aanpak op. Bespreekt dit met ouders en houdt vervolgens vinger aan de pols in de trajecten voor ‘oranje’ en ‘rode’ score. In sommige
gevallen geeft de vakleerkracht zelf het extra beweegaanbod (bijv. in de vorm van MRT) voor kinderen met een oranje en rode score.

De intern begeleider: heeft regelmatig contact met de vakleerkracht om de uitkomsten van de 4- vaardighedentest te bespreken en plannen van aanpak per kind met een motorische achterstand te maken. Is vaak degene met de meeste oudercontacten. Heeft de regie in de zorgtrajecten. Weet naar welke instanties door te verwijzen (jeugdarts, kinderfysio-oefentherapeuten). Heeft contact met deze zorgprofessionals.

De groepsleerkracht groep 3, eventueel ook groepsleerkrachten groepen 1 en 2: worden betrokken door de vakleerkracht en de ib-er om het beeld van kinderen met een motorische achterstand compleet te maken. Hoe gaat het met het kind in de klas, op het schoolplein, heeft het kind last van de motorische achterstand? De groepsleerkracht heeft doorgaans ook goed contact met ouders en kan een rol spelen in het bespreken van het belang van meer bewegen in de thuissituatie. De groepsleerkracht kan ook in de reguliere lessen aandacht besteden aan bewegen in de vorm van beweegtussendoortjes voor en met de hele klas.

De jeugdarts: als ouders toestemming hebben gegeven vindt er een consult bij de jeugdarts plaats voor de kinderen met een ‘rode’ score. De jeugdarts beoordeelt of er mogelijk een onderliggende oorzaak voor de motorische achterstand is en of, naast verwijzing naar en kinderfysio-oefentherapeut, verwijzing naar een kinderarts of revalidatiearts nodig is. De jeugdarts heeft goed zicht op de ontwikkeling van het kind vanaf de geboorte, op de gezinssituatie en op risicofactoren voor een onderliggende aandoening.

De kinderfysio-/oefen-/ergotherapeut: behandelt het kind 1 op 1 in een zorgtraject. Om een diagnose te stellen, voert de therapeut eerst het Movement ABC uit; een uitgebreidere test dan de 4-vaardighedentest. Vervolgens wordt een plan voor behandeling opgesteld. De kinderfysio-oefentherapeut heeft ook contact met de ouders. Idealiter heeft de therapeut ook contact met de vakleerkracht bewegingsonderwijs om af te stemmen wie wat doet en om de voortgang te bespreken.

De professional die het ondersteunde aanbod verzorgt: voor de kinderen met een oranje en/of rode score is extra beweegaanbod nodig om stappen te maken in de motorische ontwikkeling. Het ondersteunende aanbod kan bestaan uit verschillende interventies, waarvan Gym+ en MRT voorbeelden zijn. Belangrijk is dat de lessen wekelijks plaatsvinden, liefst meer keer per week en in kleine aantallen kinderen per groep. Veel succeservaringen in een pedagogisch veilige omgeving zijn belangrijke voorwaarden.

Binnen de OBM in Amsterdam wordt er Gym+ aangeboden en in sommige gevallen Motorische Remedial Teaching (MRT). In dat laatste geval door de vakleerkracht bewegingsonderwijs die daarvoor bevoegd is (certificaat MRT heeft). Gym+ kan ook door de vakleerkracht zelf worden gegeven en dat wordt vergoed door de gemeente Amsterdam. In een aantal gevallen wordt de Gym+-lessen door Teamsportservice Amsterdam (TSA) aangeboden.

De sportmakelaar is in dienst van de gemeente Amsterdam en coördineert het sport- en beweegaanbod in de wijk/stadsdeel. Zij zijn aanspreekpunt voor scholen als het gaat om naschools sport- en beweegaanbod. De sportmakelaar bepaalt op basis van de motoriek data en in overleg met de netwerk coördinatoren van de schoolbesturen welke scholen in aanmerking komen voor een Gym+-traject (of ander ondersteunend
beweegaanbod) in het betreffende stadsdeel.

De directie/schoolleider ziet toe op de rol van de betrokken professionals bij deze planmatige werkwijze en de borging daarvan in de reguliere werkprocessen. Want ook al is het onderdeel van de reguliere taken van de groepsleerkracht, intern begeleider en vakleerkracht bewegingsonderwijs in het kader van Passend Onderwijs, toch wordt nog
niet op iedere school hieraan voldaan.

De scholen krijgen vanuit de VLOA- financiering voor de vakleerkracht bewegingsonderwijs. Deze financiering draagt bij aan de inzet van een bevoegd (vak)leerkracht voor het verzorgen van de wettelijke verplichting van 2 x 45 minuten
bewegingsonderwijs voor groep 1 t/m 8. Een van de eisen van de VLOA is dat de vakleerkracht de screening van motoriek in groep 3 verzorgt en de OBM opstart.

Waarom de jeugdarts betrekken?
Van jongs af aan wordt van elk kind een dossier opgebouwd. De jeugdarts heeft zicht op de algehele ontwikkeling van het kind en de omgeving waarin het kind opgroeit (via ouders). In een consult beoordeelt de jeugdarts of er mogelijk een onderliggende oorzaak voor de motorische achterstand is en of, naast verwijzing naar en kinderfysio-oefentherapeut, verwijzing naar een kinderarts of revalidatiedarts nodig is. De jeugdarts heeft goed zicht op risicofactoren voor een onderliggende aandoening doordat de jeugdarts beschikt over een longitudinaal dossier over het kind vanaf de geboorte.
Waarom wordt er in Amsterdam gewerkt met de 4-vaardighedentest en niet met een andere motoriektest?
Er zijn op dit moment in Nederland drie betrouwbare en valide motoriektesten voor de vakleerkracht bewegingsonderwijs, waarbij de 4-vaardighedentest goed differentieert tussen kinderen met een leeftijdsconforme ontwikkeling en kinderen met een motorische achterstand. De vier vaardigheden die getest worden, geven ook richting
aan inhoud voor interventie. Deze vaardigheden zijn basisvaardigheden. Denk aan ‘locomotor skills’: springen kracht en springen coördinatie, ‘object controle’: stuiteren en ‘body controle’: stilstaan) die beheerst moeten worden, alvorens er meer complexe vaardigheden geoefend kunnen worden. Statische motoriektest versus dynamische motoriektest. De 4-vaardighedentest en de BLOC-test zijn (vergelijkbare) voorbeelden van statische motoriektesten. De MQ-scan is
een dynamische motoriektest. Die laatste geeft een indruk van de motoriek na het doorlopen van een beweegbaan met verschillende opdrachten. Hoe sneller je de baan aflegt, hoe beter je motoriek. Waar het kind uitvalt (welke basisvaardigheid) is minder goed zichtbaar. Statische motoriektesten geven die feedback wel waardoor het
makkelijker wordt te bepalen welke aanpassingen je kunt doen in de gymles.
Het toepassen van de 4-vaardighedentest om de motorische ontwikkeling van leerlingen in kaart te brengen werd eerder nooit gevraagd van de vakleerkracht, waarom nu wel?
Het in kaart brengen van de motorische ontwikkeling van kinderen is nodig om de gymlessen passend te maken voor elk kind. En om daar waar het nodig is passende (extra) ondersteuning te bieden of door te verwijzen naar een zorgtraject. Uit het Gymmermansoog onderzoek is gebleken dat het oog van de meester doorgaans de kinderen die boven en onder het gemiddelde qua bewegingsvaardigheid scoren, er wel uithalen, maar niet voldoende zicht hebben op de grotere middengroep. Scholen hebben bovendien (sinds 2014) een zorgplicht in het kader van de Wet op Passend Onderwijs voor alle groepen (1 t/m 8).

Nu lijkt het voor vakleerkrachten dat er iets extra wordt gevraagd, maar het is dus onderdeel van het werk van de vakleerkracht. Dat het veel tijd kost en ten koste gaat van de gymles gaat dus niet op. Er zijn bovendien veel manieren om het jezelf makkelijker te maken. Het lectoraat BioS heeft een document ontwikkeld met verschillende manieren
hoe te screenen met de 4-vaardighedentest. Dit document is op te vragen bij d.k.m.labee@hva.nl. Daarnaast geeft de HvA jaarlijks een opfris workshop in september (dé tijd om de 4-vaardigheden test uit te voeren op school), houd dez website (Agenda) in de gaten.

Wat is de effectiviteit van de OBM?
In het project Gymmermansoog is de effectiviteit van de OBM bepaald (zie link naar factsheet). Daaruit bleek dat 50% van de kinderen die gesignaleerd was met een motorische achterstand binnen een schooljaar een verbetering in categorie (van rood naar oranje of van oranje naar groen) liet zien. Dat betekent dat op het moment dat de professionals en ouders zich bewust zijn van het feit dat het kind zich niet leeftijdsconform ontwikkelt en daarop gehandeld wordt er een verbetering in de motorische ontwikkeling te verwachten is. Er is op dit moment nog weinig inzicht in de effectiviteit van de specifieke interventies die ingezet worden. De komende jaren komt daar meer inzicht in: hoe meer scholen planmatig werken met de OBM, hoe meer data er is om deze vraag te beantwoorden.